dinsdag 23 oktober 2012

'Misleidend'. Ed van Thijn                                                        

Op 3 mei 20120 dicussieerde ik met Ed van Thijn in het verzetsmuseum.
Zijn standpunt was dat het zou best kunnen dat men in Nederland niet wist van Auschwitz, maar dat de echte vraag was hoe dat kan, gezien het feit dat men er in Londen wel van wist. Waarom had radio Oranje het daar zelden over? Mijn boek was 'misleidend' - 'ja, dat is een sterke term' - omdat het over die vraag had moeten gaan. (Op de website van het Historisch Nieuwsblad is een verslag te vinden van de bijeenkomst.)

Van Thijns standpunt verbaasde me toen nogal, omdat hij in de voorgaande jaren het nadrukkelijk had opgenomen voor Ies Vuijsje, die in zijn boek Tegen beter weten in beweerde dat de berichtgeving over de Holocaust, ook die uit Londen, zo expliciet was geweest dat iedereen in Nederland kon weten wat er met de Joden gebeurde, maar dat het de meeste mensen niet interesseerde.

Blijkens zijn mooie memoires Blessuretijd deelt van Thijn Vuijsjes opvatting nog steeds. Hij beschrijft uitgebreid de volgens hem waarachtige scene uit de film Susskind, waarin een Joodse 'moffenhoer' onthult dat Joden worden vergast. Hij zegt dat de massale slachtingen in Oost-Europa van 1941-1942 niet onbekend kunnen zijn geweest, en dat de Nederlanders dus 'dubbel zo waakzaam' hadden moeten zijn toen de deportaties begonnen. Gezien die voorgeschiedenis, zegt hij, kon er toch nauwelijks twijfel bestaan over het lot van de Joden. Verzetsmensen hadden die twijfel volgens hem niet. Maar 'Nederland keek weg'; 'We zijn daar erg goed in'.

Van Thijn prijst opnieuw Ies Vuijsje, die 'op indringende wijze en goed gedocumenteerd' aantoonde 'dat al in het najaar van 1942 bekend was dat er gaskamers werden ingezet en dat de meeste Joden bij aankomst in de kampen vernietigd werden'. Wederom laakt hij de historische wetenschap die wel Vuijsje bekritiseerde, maar niet serieus op zijn argumenten inging. In het bijzonder Vuijsjes bewering dat De Jong citaten had verminkt om zijn gelijk te halen, werd genegeerd, waarmee 'weer eens' werd aangetoond dat historici 'allergisch zijn voor kritiek van buiten'. Hij memoreert dat hij Hans Blom vroeg om op de kwestie in te gaan 'met de uitdrukkelijke hoop dat hij het ongelijk van Vuijsje gedocumenteerd zou kunnen aantonen.'

Van Thijn moet in mijn boek veel hebben aangetroffen waar hij het mee oneens is. Ik beweer immers dat Vuijsje tendentieus met zijn bronnen omgaat, dat zijn aantijgingen aan het adres van De Jong lasterlijke onzin zijn, dat juist niet bekend was dat de Joden bij aankomst in gaskamers werden gedood, en dat in Nederland bijna iedereen, ook verzetsmensen, twijfelden over het lot dat in het Oosten wachtte. En ik laat zien dat de omstanders niet wegkeken, maar woedend toekeken.

Dat had een interessante discussie opgeleverd als Van Thijn de inhoud van mijn boek had bestreden, of er zich door had laten overtuigen. Maar in de praktijk ging hij er aan voorbij, door te zeggen dat het ergens anders over had moeten gaan.

Dat is vreemd, maar ik kan wel een reden bedenken. Veel mensen die geinteresseerd zijn in de Holocaust willen twee verschillende dingen: begrijpen wat er is gebeurd, en daar lessen uit trekken. Dat laatste is nadrukkelijk Van Thijns ambitie; het is de rode draad van Blessuretijd. Maar daardoor, vermoed ik, kan hij slecht uit de voeten met een boek als het mijne, dat de schuldvraag compliceert. Het zingevend verhaal over de Jodenvervolging draait inmiddels geheel om de schuldige omstander die wist, of kon weten, wat er gebeurde, maar het niets kon schelen. Ik beweer het tegendeel: de omstander kon het wel wat schelen, maar wist maar half wat er gebeurde. Daarmee verdwijnt een deel van de schuld, en dat is ongemakkelijk.


Frustrerend blijft dit alles wel, want ik had het een eer gevonden Van Thijn te overtuigen.

2 opmerkingen:

Warry van der Leen zei

Gefeliciteerd met uw prijs! Ik ga het boek binnenkort met grote belangstelling lezen. En zal mijn ouders, die beiden de oorlog bewust hebben meegemaakt (ze zijn van 1926 en 1929)nog weer eens vragen wat hun ideeën waren indertijd. Wat me voor dat alles al wel intrigeert is: als 'de mensen' werkelijk vermoedden dat het weliswaar ongetwijfeld niet leuk of zelfs maar pluis was 'ginds', maar dat er naar hun beste weten geen massamoord werd begaan, waarom nam men dan joodse onderduikers in huis? Waarom al die risico's lopen, alleen maar om te voorkomen dat de bewuste joden elders te werk werden gesteld resp. geherhuisvest? Je zou veronderstellen, dat men toch op zijn minst een ernstig vermoeden moest hebben van wat er werkelijk gebeurde, ook al, omdat er nimmer iemand weerom kwam of zelfs maar van zich liet horen, op enkele (uiteraard, naar later bleek, geprefabriceerde) groeten en briefkaarten na.
Met vriendelijke groet,
Warry van der Leen, Haarlem

Bart van der Boom zei

Excuus voor de late reactie: zeker, het feit dat mensen bereid waren risico te lopen voor de onderduik van Joden doet vermoeden dat zij dachten dat het in Polen slecht zou zijn, en dat velen op den duur zouden sterven. Dat was de algemene inschatting. De vraag was alleen hoe slecht het daar precies zou zijn, hoevelen er zouden sterven en op welke termijn. Dat was geheel onduidelijk. Of het risico van verzet opwoog tegen dat van gehoorzaamheid, was daarom onduidelijk. Sommigen dachten van wel, anderen niet.